Archief Frits de Coninck
199319941995199619971998199920002001
Adriaan Seelen
Alex Kiefmeijer
Anish Kapoor
Ben Hoezen
Birgitt van Bracht 2
Boymans-van Beuningen
Cady Noland
Carel Visser
Caro
Chassetheater
Cultureel Gekleurd
Dada
De Pont
De Ringeloor
De stadscollectie
Desert Tracks
Drie vrouwelijke schilders
Edy de Wilde
Elly Stegeman en Ludo Bekkers
Emile van der Kruk
Enk de Kramer
Eric Hirdes
Erik Prins
Eugeen van Mieghem
Giorgio Morandi
Grafiek in het Tongerlohuys
Hannema
Hans Landsaat
Hans Luiken
Het portret
Het verhalende
Huub Bruls
Ignatiusziekenhuis
Jaap de Vries
Jacques van Alphen
Jan Andriesse
Jeanne Munsterman
Jeroen Doorenweerd
Jiri Kolar
John van Gils
Jos Blersch
Kars Persoon
Klaar van der Lippe
Kopper en Van Ham
Kunst van Vlaanderen en Spanje
Laatmiddeleeuwse prenten
Lokaal 01 - 1
Lokaal 01 - 2
Luc Tuymans
MUHKA
Marijke Fitz Verploegh
Martje Verhoeven
Matthew Barney
Michel van Overbeeke
NBKS 1
NBKS 2
Naus en Kleinepier
Nederlandse tekeningen 2e helft 19e eeuw
Nieuwe beelden
Noordbrabants Museum
Paul Thek
Per Kirkeby
Piet Berghs
Piet Dieleman
Pyke Koch
Reinoud van Vught
Richard Price
Rob Mohlmann
Rob Moonens
Simon Benson
Stadscollectie Breda, deel I
Textiel
Thierry de Cordier
Tina Onna
Tom Wesselmann
Ton Slits
Tongerlohuys
Toon Kuypers
Torsten Haake-Brandt
Un cercle d'amis
Voorwaar
Wainer Vaccari
Walter Swennen
Wolfslaar
Wouter van Riessen







Eric Hirdes Wat Eric Hirdes (1956) doet in zijn schilderwerk, is het consequent voeren van een stijl. Hij heeft ervoor gekozen om op een vaste, herkenbare manier te schilderen en doet dat niet aflatend. Zo ontstaat een stijl die een handelsmerk is, die van een groot raffinement getuigt maar die de manier waarop belangrijker vindt dan de inventiviteit of de grote visie. Wat daar in de tentoonstellingsbrochure ook over gezegd moge worden, al die woorden kunnen niets afdoen aan dat zeer herkenbare maar eenzijdige karakter van Hirdes' schilderkunst. Eric Hirdes bevestigt op veel van zijn doeken een stuk textiel dat open en duidelijk de draadstructuur toont. Vanuit die draden tekent en schildert hij de lijnen verder; af en toe doet hij dat door met de achterkant van zijn penseel sporen te trekken in de verf. Het uitgangspunt is de toevalligheid, het integreren van dat stuk doek in de talloze lijnen en bewegingen op het doek is de gewilde daad van de schilder. En die staat ook voor een zekere ordening en compositie. Het textiel wisselt hij op andere doeken af met oude tekeningen of stukken karton als begin van zijn werk dat hoe dan ook meer schilderij dan collage is. De handeling van het schilderen is belangrijk. Hirdes zoekt een belangrijke kwaliteit in het scheppen van een verfhuid. Duidelijk is dat het om volkomen non-figuratieve kunst gaat. Hij vermijdt elke verbinding met een ons bekende voorstelling. Zijn werk is een wereld op zichzelf, in volkomen autonomie. Er ontbreekt enige orientatie op boven of beneden, links of rechts, voor- of achtergrond. De lijnen trekken en draaien alle kanten uit, weliswaar vanuit een zeker centrum, maar dat staat niet voor een concreet beeld. Elk werk op papier of op doek is zijn eigen chaos en zijn eigen ordening. Niet rationeel, maar intuitief en schilderkunstig. De kleuren varieren, net als het formaat en het gekozen centrum. Maar wat onveranderlijk is, dat is het handschrift, de stijl die zo domineert dat er een beperking van betekenis optreedt. Beeldende kunst moet verder reiken, mag niet stil houden daar waar de stijl zichtbaar gemaakt wordt. 't Tongerlohuys, Molenstraat 2, Roosendaal; tot 6 maart