Archief Frits de Coninck
199319941995199619971998199920002001
't Tongerlohuys
Ad van Haandel
Anthony Caro
Arja Hop
Carel Blotkamp
Carel Visser
Carola Popma en Hans Klein Hofmeijer
De Tuin der Verbeelding
De tekening als omweg naar het beeld
Documenta 10
Dominique Ampe
Echtpaar Mols
Eigentijdse kunst uit China
Eigentijdse kunst uit Israel
Eigentijdse kunst uit Uganda
Figuratieve kunst
Galerie Esprit
Georges Vantongerloo
Giuseppe Penone
God in de Nederlandse beeldende kunst
Grafiek aan weerszijden van de grens
Hans Broek
Hans Broek 2
Henk van den Berg
Henri Jacobs
Het vernuft
Hubert Damisch
Jan Fabre
Jan Vanriet
Jan Vosters
Jean-Marc Spaans
John Koermeling
Klaas Gubbels
Korrie Besems
Kunst in 't Kijkhuis
Lebuin d'Haese en Paul Beckers
Loek Grootjans
Lokaal 01
Lokaal 01 - 2
MUHKA
Marcel Maeyer
Marion Lambert
Mark Outjers
Michael Kirkham
NBKS 1
NBKS 2
NBKS 3
NBKS 4
NBKS 5
Norbert Prangenberg en Herbert Hamak
Ossip
Piet Berghs
Rob Scholte
Ronald Zuurmond
Sal Meijer
Sint Joost
Sol Sneltvedt
Tijdloze geheimzinnigheid
Trudy Peeters en Rolf ter Veer
Vincent Mentzel
Vrouwelijke schoonheid
Wide White Space
William Speakman
Wim Delvoye
Yarre Stooker







Op weg naar het modernisme Georges Vantongerloo is terug in zijn geboortestad. Geboren in 1886 in Antwerpen en daar en in Brussel opgeleid aan de kunstacademie, heeft hij zich opgehouden op die plaatsen waar in de eerste helft van de twintigste eeuw de abstract-moderne kunst zich heeft ontwikkeld. Vantongerloo heeft daaraan met zij deeën en met zijn werk en heel actieve bijdrage aan geleverd die in België maar ook in Nederland ten onrechte zeer onderbelicht is gebleven. Als gevolg van Wereldoorlog I zocht hij, net als zoveel andere Belgische kunstenaars, zijn toevlucht in Nederland en raakte daar nauw betrokken bij de groep rond De Stijl. Het was Theo van Doesburg die hem in 1917 'ontdekte' en hem bij De Stijl betrok. Ook na zijn vestiging in Parijs, in 1927, bleef hij contact houden met Mondriaan met wie hij overigens ook zeer van mening verschilde. Maar dat was deel van de intellectuele discussie die in de eerste decennia van deze eeuw op diverse plaatsen in Europa gevoerd werd op weg naar een zuivere, abstracte kunst. Georges Vantongerloo is een van de weinige Belgische kunstenaars die meetellen in de geschiedenis van de moderne kunst en het is daarom zo merkwaardig dat er juist in België vrijwel geen museale aandacht voor hem is geweest. In Nederland zijn er in ieder geval de laatste jaren, mede onder invloed van de Mondriaanbelangstelling, enkele belangrijke studies verschenen waarin Vantongerloo een duidelijk plaats krijgt. Maar de Nederlandse musea bezitten ook vrijwel geen werk van hem. In het beeld van De Stijl mag Vantongerloo niet ontbreken, alleen al niet om zijn rol als aanscherper van theorieën. Een functie die hij zijns ondanks had. Want uiteindelijk beoordeelden Mondriaan en later ook Van Doesburg hem als niet zuiver in de leer; maar het corresponderen over zijn artistieke betekenis droeg wel bij aan het preciseren van de. Daarom en natuurlijk ook om de bijzondere, eigen weg die Vantongerloo gegaan is in het modernisme, is de tentoonstelling die galerie Ronny Van de Velde aan hem wijdt, zo de moeite waard. Het begrip 'galerie' is in het geval Van de Velde weliswaar duidelijk iets anders, ik bedoel grootser, dan wat wij daar in Nederland gewoonlijk onder verstaan, toch is het buitengewoon merkwaardig dat een particuliere onderneming als Van de Velde deze museale presentatie van een belangrijke Belgische kunstenaar uit de twintigste eeuw voor haar rekening neemt en niet het een paar honderd meter verderop gelegen Museum van Schone kunsten. Terwijl het grote museum sinds 1995 (Antwerpen culturele hoofdstad van Europa) van de echte kunstagenda verdwenen lijkt, heeft Van de Velde de afgelopen jaren overzichten ingericht van invloedrijke kunstenaars als James Ensor, Magritte en Félicien Rops uit de eerste helft van onze eeuw en van een eigentijds kunstenaar als Panamarenko. Zo eert België zijn grote zonen. De tentoonstelling beslaat de drie verdiepingen van de galerie en bevat naast tekeningen en schilderijen ook beelden (die allemaal opvallend klein zijn), maquettes, gebruiksvoorwerpen en meubels. We zien dat ook bij de andere Stijlkunstenaars: kunst mocht zich niet beperken tot het klassieke domein van de schone kunsten, de artistieke opvattingen strekten zich ook uit tot de dagelijkse leefomgeving van de nieuwe mens. Met name Rietveld en Mondriaan hadden daar uitgesproken ideeën over. De tentoonstelling is chronologisch opgebouwd. Ze begint, typisch, met een schilderij van een meisje in Volendammer dracht uit 1915. Vantongerloo is gewond de Eerste Wereldoorlog ontvlucht en heeft een goed heenkomen gezocht in Nederland, in Den Haag. Dat 'Haagse' werk heeft nog niks van het modernisme. De geest van Cézanne is natuurlijk wel overduidelijk aanwezig. Een analyse van de zichtbare werkelijkheid in losse elementen, losse penseeltoetsen, transparante verf, het negeren van het licht als een illusie van de naturalistische werkelijkheid en in plaats daarvan het gebruik van de open plekken van het schilderslinnen. Het was Cézanne die aan het begin stond van de moderne kunst met zijn strijd tegen het valse idee als zou een plat schilderij een drie-dimensionale werkelijkheid kunnen verbeelden. Een schilderij speelde zich voor hem af aan de oppervlakte van het geschilderde doek, zonder de illusie van iets anders. In de kring van De Stijl werd die theoretische discussie voortgezet waarbij Vantongerloo in de ogen van Van Doesburg en Mondriaan niet zuiver genoeg was. Maar de echte verwijdering werd pas definitief rond 1925. Eerst werd hij 'ontdekt' door Theo van Doesburg die Mondriaan wist te interesseren voor de Belg. Op grond waarvan wordt goed duidelijk in een drietal kleine studies uit 1918, Vantongerloo verblijft dan nog altijd in Den Haag. Het zijn studies op papier, twee in aquarel, een in gouachetechniek. De eerste toont een vrouw in leunstoel in een interieur, uiteraard niet naturalistisch meer geschilderd maar in min of meer losse lijnen en penseelstreken. In de tweede studie worden de lijnen en toetsen gesloten, geometrische vlakken in rood, blauw, groen, geel en bruin. De nog herkenbare vorm van de vrouw is gereduceerd tot een abstractie in kleur en vlak. De schaal is nog dezelfde. In de derde studie is de schaal vergroot en zijn de niet-primaire kleuren groen en bruin verdwenen. In het bestek van enkele tientallen vierkante centimeters een samenvatting van wat zich tussen Cézanne en Mondrian voltrok: een ontwikkeling van zuivere abstractie, de geboorte van de moderne kunst dus. Rond 1917 krijgt hij contact met De Stijl, waarschijnlijk via Van Doesburg. In september 1918 ondertekent hij het manifest van De Stijl, en wordt meteen ook de jongste medewerker aan het blad. Tussen 1918 en 1920 publiceert hij een aantal artikelen onder de titel 'Réflexions'. Het was een deelname aan het artistiek-intellectuele proces, op zoek naar een zuivere beelding. Het was duidelijk dat Vantongerloo daar andere ideeën over had dan de anderen. Meer nog wellicht dan in het wel of niet gebruiken van louter primaire kleuren, manifesteerde zich het meningsverschil in de tegenstelling intuïtie versus wetenschap. Voor Vantongerloo was kunst wetenschap, en hij bedoelde vooral wiskunde. Zijn 'Construction dans la sphère' uit 1918 is van die opvatting het resultaat. Een verrassend klein beeld dat opgebouwd is uit drie- en rechthoeken en een bol. De tekeningen die aan het beeld voorafgaan, laten zien hoe volkomen doordacht de constructie is. Alles staat in verhouding tot elkaar. Het cebntrum is de bol, maar ook de buitenvorm is in wezen bolvormg. Om de buitenste grenzen van de constructie kun je een cirkel tekenen waar het beeld perfect in past, op elk punt van het beeld wel te verstaan. Hij heeft vier versies van het beeld gemaakt. De eerste is de volmaakt geometrische, elke volgende is opener en plastischer. Zijn interesse voor de wiskunde als grondslag voor de kunst oogt toch ook wel als een flirt. Op de tentoonstelling zijn een aantal schetsen te zien van composities in het Stijlidioom met een heleboel berekeningen in potlood, als zouden al die getalletjes ten grondslag liggen aan dat ene schilderij. Dat gekoketteer met wetenschap, het gebruik van de 7 kleuren van het spectrum en zijn werken naar de natuur verwijderden hem van Mondriaan die een veel intuïtiever soort kunstenaarschap voorstond. Mondriaan was veel meer schilder die bovendien de zuivere abstractie als geestelijk eindpunt van het menselijk bestaan zag. Ook door zijn vertrek naar Frankrijk verwaterde het contact met De Stijl. Vantongerloo hield zich voortaan ook bezig met het ontwerpen van een brug over de Schelde bij Antwerpen, gebouwen als blokkendozen, luchthavens en meubels. De brug en de luchthavens waren volstrekte utopie, bouwfysisch absoluut niet doordacht. Maar interessant zijn ze wel omdat ze 70 jaar geleden gedroomd werden en nu zo vertrouwd toeschijnen. Rond 1937 voltrok zich in Vantongerloo’s werk een verandering die voor De Stijl een absolute doodzonde zou zijn geweest. Het strenge schema van de horizontalen en verticalen wordt doorbroken door krommen. Niet langer meer de wiskunde als inspiratiebron maar zoals hij zelf formuleerde 'de grootsheid van wat men ruimte noemt'. Als hij na Wereldoorlog II in zijn beelden kunststoffen gaat toepassen waaronder plexiglas ontstaan de decoratieve objecten die hangen en liggen op de bovenverdieping van de galerie. Een klein universum waarin nagenoeg geen rechte lijn meer te bekennen valt en waarin de zwaarte van de meubels en de strengheid van de schilderijen vervangen zijn door een elegante en ongrijpbare lichtheid die enkel nog de zinnen streelt. Wat staat dat veraf van de droom van het modernisme, het beeld van de nieuwe mens. Georges Vantongerloo is tot 31 maart te zien bij galerie Ronny Van de Velde, IJzerenpoortkaai 3, Antwerpen. Dagelijks geopend van 10 tot 6 uur.