Archief Frits de Coninck
199319941995199619971998199920002001
't Tongerlohuys
Ad van Haandel
Anthony Caro
Arja Hop
Carel Blotkamp
Carel Visser
Carola Popma en Hans Klein Hofmeijer
De Tuin der Verbeelding
De tekening als omweg naar het beeld
Documenta 10
Dominique Ampe
Echtpaar Mols
Eigentijdse kunst uit China
Eigentijdse kunst uit Israel
Eigentijdse kunst uit Uganda
Figuratieve kunst
Galerie Esprit
Georges Vantongerloo
Giuseppe Penone
God in de Nederlandse beeldende kunst
Grafiek aan weerszijden van de grens
Hans Broek
Hans Broek 2
Henk van den Berg
Henri Jacobs
Het vernuft
Hubert Damisch
Jan Fabre
Jan Vanriet
Jan Vosters
Jean-Marc Spaans
John Koermeling
Klaas Gubbels
Korrie Besems
Kunst in 't Kijkhuis
Lebuin d'Haese en Paul Beckers
Loek Grootjans
Lokaal 01
Lokaal 01 - 2
MUHKA
Marcel Maeyer
Marion Lambert
Mark Outjers
Michael Kirkham
NBKS 1
NBKS 2
NBKS 3
NBKS 4
NBKS 5
Norbert Prangenberg en Herbert Hamak
Ossip
Piet Berghs
Rob Scholte
Ronald Zuurmond
Sal Meijer
Sint Joost
Sol Sneltvedt
Tijdloze geheimzinnigheid
Trudy Peeters en Rolf ter Veer
Vincent Mentzel
Vrouwelijke schoonheid
Wide White Space
William Speakman
Wim Delvoye
Yarre Stooker







God in de Nederlandse beeldende kunst: een kapel zonder God Misschien is Aad de Haas (1920-1972) wel de laatste beeldend kunstenaar geweest die van de kerkelijke overheid de opdracht kreeg om naar eigen artistiek inzicht een kerk volledig te beschilderen. De kerk als opdrachtgever zoals dat eeuwen lang geweest was en de kunstenaar als gelovige. In 1946 vroeg de pastoor van Wahlwiller (Zuid-Limburg) aan Aad de Haas om een kruisweg te maken en de muren van zijn kerkgebouw verder van frescoís te voorzien. De kunstenaar bepaalde zelf het repertoire van de voorstellingen die hij in een half abstracte, half figuratieve stijl uitvoerde. Het was de eerste moderne kunst van na de oorlog en nog ruim voor Cobra zou doorbreken. De dorpspastoor die voor een oud geloof nieuwe, eigentijdse iconen zocht, dacht nog in de oude harmonie tussen kerk en kunst. Maar de breuk was eigenlijk al zichtbaar. Uitgerekend op Goede vrijdag in 1949 werden de kruiswegstaties uit de kerk verwijderd op last van de bisschop. Vanuit toen nog altijd actieve fascistisch kring was met succes lasterlijk verzet gevoerd tegen de eigentijdse visie van deze kunstenaar. Tussen de kerk en de kunst in Nederland is het nooit meer echt goed gekomen. Als er voor de kunstenaar nog een god bestaat, dan is het hooguit in de kantlijn van het bestaan. De kerk als opdrachtgeefster speelt in ieder geval geen belangrijke rol meer. De incidentele opdrachten voor een beperkte opluistering van het liturgisch ritueel ten spijt. In 1981 werden na de restauratie van het kerkje in Wahlwiller de kruiswegstaties er weliswaar in teruggeplaatst, maar de magie van de religieuze beleving is verdwenen. Het kerkje is nu een pelgrimsoord, voor kunstliefhebbers wel te verstaan. Het is een schitterend monument van de na-oorlogse moderne kunst in Nederland. En over Zuid-Limburg gesproken, Jan Dibbets heeft voor het waterstaatskerkje van Wijlre negen schitterende glas-in-loodramen gemaakt. Het raam als een abstract schilderij, zonder religieuze voorstelling. En in Maastricht, voor de romaanse O.L.Vrouwekathedraal, heeft de protestants opgevoede Marien Schouten (1946) lelies en kruisen van lood verwerkt in albasten ramen. Symbolen van zuiverheid en wederopstanding. Dibbets, net zo goed als Schouten, doet een ingreep in de kerk als architectonische ruimte en dat is niet noodzakelijk hetzelfde als een daad van diep geloof. Met de vraag of er eigenlijk nog een god bestaat in de eigentijdse kunst in Nederland is iets bijzonders aan de hand. Eenvoudigweg omdat je haar noch volledig kunt ontkennen, noch voluit bevestigen. Als aan het einde van de twintigste eeuw het religieuze ritueel zo naar de marge van onze samenleving is verdreven, dan geldt dat voor de beeldende kunst net zo als voor elke andere sector. De kerken zijn ontvolkt en parallel daaraan heeft ook het beeld van een concrete god zijn dominante plaats verloren. Des te merkwaardiger is het te zien dat bij individuele beeldend kunstenaars af en toe en vooral heel onverwacht sporen van een god opduiken. Zo geseculariseerd als wij gemakshalve aannemen is onze moderne samenleving dus niet. Af en toe springt er vanachter het gordijn toch weer een god tevoorschijn. In Uden staat een museum voor religieuze kunst. Het museum is gevestigd in het oude klooster van de Brigitinessen en heeft een mooie collectie Middeleeuwse kunst in zijn collectie. Maar het probeert tegelijkertijd ook het religieuze in de kunst van vandaag in beeld te brengen en koopt daartoe ook aan. Tot de vaste collectie behoren o.a. werken van Marc Mulders en Henk Visch, kunstenaars in wier werk een persoonlijk beeld van God voorkomt. Van Henk Visch (1950) heeft het museum een beeld dat bestaat uit twee houten karrenwielen die hij in elkaar heeft vervlochten. Aan de spijlen van een van de wielen heeft hij een Christuscorpus gemonteerd, het beeld van de lijdende. Christus lijkt vermalen te gaan worden tussen de wielen, een associatie die geen enkele bijbelplaats als bron heeft. Het is een eigentijds beeld van een kunstenaar die (in dit geval) gebruik maakt van 'objets trouvťs', kant-en-klare voorwerpen die zijn idee van pijn en lijden moeten uitdrukken. Een eigen beeld van Henk Visch van het passieverhaal dat voor ons niks vanzelfsprekends en niks gemakkelijks heeft. In het andere werk van Henk Visch zit een religieuze interpretatie een beeld soms dicht op de hielen. In het Ignatiusziekenhuis in Breda staat van hem een wit beeld van polystyreen (piepschuim) in de vorm van een madonna. Hij onthoudt zich zelf van een titel maar het feit dat het nonnenklooster dat het oude Ignatius heeft opgericht, het beeld heeft gekocht en geschonken aan het nieuwe ziekenhuis, is niet toevallig. Onuitgesproken is dit een madonnabeeld; we benoemen het alleen niet meer met zoveel woorden. Alsof we het liever niet willen weten. Eenzelfde terughoudendheid kom je tegen bij Marc Mulders (1958). Hij heeft Christussen geschilderd en piŽtaís, hij heeft het lijden tot thema gemaakt in zijn schilderijen maar op de vraag 'Gelooft U in God' antwoordt hij:'Nee. Als ik dood ben is de god in mij ook dood. God is een product van de hersenen om tot beslissingen over goed en kwaad te kunnen komen. Het kruis is van dat product het symbool' (uit een interview in NRC Handelsblad van 1991). In zijn werk is onmiskenbaar een beeld van God aanwezig als teken van lijden. Vaker nog dan een concrete afbeelding van de gekruisigde Christus neemt hij daarvoor kadavers van dieren als motief. De dikke verfmaterie transformeert hij tot vlees en bloed. Het is een omgang met het lijdende lichaam door de verf heen. Een geconserveerd en tijdloos beeld van het lijdensverhaal, in eigentijdse gedaante. Reinoud van Vught (1960), in zijn ideeŽn omtrent de schilderkunst verwant met Mulders, maakte op eigen manier het Christusbeeld weer actueel. Bij hem niet zozeer een Christus als teken van lijden waaraan niet te ontkomen valt, maar een meer afstandelijke omgang met het oude Christusbeeld. Rond 1990 maakte hij voornamelijk afdrukken van oude crucifixen die hij op rommelmarkten tegenkwam of vond op de zolder van het klooster in Tilburg waar hij zijn atelier heeft. Hij gebruikt het beeld als een schilderkunstig motief dat als symbool nog wel fungeert maar zonder de existentiŽle lading die Marc Mulders eraan geeft. In 1995 is er in museum De Wieger in Deurne en in museum Het Catharijneconvent in Utrecht een tentoonstelling ingericht van het beeld van Christus in de hedendaagse kunst in Nederland. Het was niet bepaald een kritische inventarisatie, veeleer een bij voorbaat mislukte poging iets aan te tonen wat niet echt meer bestaat. Getuige de veelheid van werken is God zelf niet dood maar Zijn beeld maakte daar wel een erg overleefde indruk. Daar waren enkele belangrijke werken te zien. Behalve van de voornoemde kunstenaars ook werk van Armando, Lucebert, Anton Heyboer, Marlene Dumas ('Jezus is boos' heet een doek dat zij daar toonde), Otto Egberts. Dat zijn kunstenaars die overtuigen, niet omdat ze een religieus thema schilderen, maar omdat ze eenvoudigweg goed schilderen. Bedenkelijk wordt zoín Christusthema in handen van mindere goden. Oninteressante kunstenaars die een beeld kopiŽren zonder daar een eigen en nieuwe inhoud aan te geven. Ineens wordt een thema dan een plat clichť dat niet meer van deze tijd is. Doodser kan een godsbeeld niet zijn dan in de voorstelling van derde-rangskunstenaars. Veel vitaler is de benadering van Jaap de Vries (1959), die in die reizende tentoonstelling aanwezig was met twee doeken. Een ervan is zijn eigen interpretatie van Het Avondmaal. Het is een groot werk, acrylverf en inkt op papier, naar opzet en vorm een reprise van Da Vinciís Laatste Avondmaal. Zoals Da Vinci plaatst De Vries het tafereel in een architectonisch kader. Inhoudelijk is het verschil heel groot. Voor Jaap de Vries is God zoals wij die bedoelen, dood. Voor hem is het christendom failliet, een religie zonder leidsman. Als God dood is, dan moet Hij dus ooit bestaan hebben, en zo schildert Jaap de Vries: de bevestiging van een afwezigheid. Hij heeft zeven niet nader te identificeren figuren rond de tafel geplaatst waarop het skelet ligt van een mens. Niet een zo maar mens, maar God. Als een fossiel. Binnenste buiten gekeerd, gestroopt en tot op het bot ontleed. Van onze God is niks meer over. Wat overblijft is het kwaad, ofwel de achterkant van ons godsbeeld. Rob Scholte heeft op een andere interessante manier een eigentijdse draai aan het godsbeeld gegeven. Een manier die meer zegt over hem dan over god overigens. Op zijn solotentoonstelling in Boijmans- van Beuningen 1988 zag ik van hem het schilderij 'Cover'. Het schilderij toont de cover van het weekblad Haagse Post gedateerd kerstmis 1986. Op die voorplaat het kindje Jezus met een reusachtig aureool van goud. Het kindje Jezus ligt dit keer niet in de schamele kribbe maar op een comfortabele commode, en Jezus is ook niet Jezus maar Rob Scholte zelf. Een kiekje uit het familiealbum van baby Scholte op de commode. Het doek is een satirisch commentaar op onze Jezusindustrie, maar net zo goed een verheffing van het kunstenaarschap: Rob Scholte als god. De tentoonstelling heette toepasselijk 'How to star', oftewel: hoe word ik god? Het is een provocatieve omgang met iets wat kennelijk toch leeft. God in de beeldende kunst in Nederland, het blijft worstelen ook voor diegenen die het godsbeeld liever ontkennen. Het is als een kapel zonder god.