Archief Frits de Coninck
199319941995199619971998199920002001
't Tongerlohuys
Ad van Haandel
Anthony Caro
Arja Hop
Carel Blotkamp
Carel Visser
Carola Popma en Hans Klein Hofmeijer
De Tuin der Verbeelding
De tekening als omweg naar het beeld
Documenta 10
Dominique Ampe
Echtpaar Mols
Eigentijdse kunst uit China
Eigentijdse kunst uit Israel
Eigentijdse kunst uit Uganda
Figuratieve kunst
Galerie Esprit
Georges Vantongerloo
Giuseppe Penone
God in de Nederlandse beeldende kunst
Grafiek aan weerszijden van de grens
Hans Broek
Hans Broek 2
Henk van den Berg
Henri Jacobs
Het vernuft
Hubert Damisch
Jan Fabre
Jan Vanriet
Jan Vosters
Jean-Marc Spaans
John Koermeling
Klaas Gubbels
Korrie Besems
Kunst in 't Kijkhuis
Lebuin d'Haese en Paul Beckers
Loek Grootjans
Lokaal 01
Lokaal 01 - 2
MUHKA
Marcel Maeyer
Marion Lambert
Mark Outjers
Michael Kirkham
NBKS 1
NBKS 2
NBKS 3
NBKS 4
NBKS 5
Norbert Prangenberg en Herbert Hamak
Ossip
Piet Berghs
Rob Scholte
Ronald Zuurmond
Sal Meijer
Sint Joost
Sol Sneltvedt
Tijdloze geheimzinnigheid
Trudy Peeters en Rolf ter Veer
Vincent Mentzel
Vrouwelijke schoonheid
Wide White Space
William Speakman
Wim Delvoye
Yarre Stooker







De verontrusting van het beeld: de gemanipuleerde foto’s van Ossip De catalogus die hoort bij de fototentoonstelling van Ossip in De Beyerd opent met een opname van het atelier. We zien een werkplaats in de letterlijke zin van het woord en niets wat lijkt op een ruimte waar foto’s worden ontwikkeld en vergroot. Hier wordt duidelijk iets gemaakt, en niet iets ontwikkeld wat elders gemaakt is. Helemaal links, keurig op plankjes, fantasieafbeeldingen van mensen op briefkaartformaat: geknipt, getekend, gefotografeerd en zo te zien allemaal geplakt. Ze zien eruit als gemaakt door een kinderhand. Hier wordt een beeld van de mens gemaakt uit bestaand materiaal. Uit wat toeval en zoeken aangevoerd hebben. Een beeld dat duidelijk anders en in ieder geval meer rudimentair en kwetsbaar is dan waar onze huidige beeldcultuur zich mee bezig houdt. Maar van verontrusting is dan nog geen sprake. Die komt pas als je de foto’s ziet die Ossip (geboren in 1952, woont en werkt in Den Haag) bewerkt heeft. De mensen die op zijn foto’s figureren zijn de naamlozen uit de geschiedenis, de schimmen uit een collectief geheugen dat wij liever niet aanspreken. Zijn mensen hebben iets ongemakkelijks, iets waar wij nooit raad mee hebben geweten. Het zijn mismaakten, hologige eenzamen, mongoloïden, afwijkelingen, achtergeblevenen, zij die de anonieme voetnoot zijn bij de mensengeschiedenis zoals wij die gewoontegetrouw schrijven. De gebrekkige naamlozen hebben daar nooit een plaats in. Die krijgen ze wel van Ossip. Hij heeft ze tevoorschijn gehaald uit de nevels van de tijd, uit oude kranten, boeken, vanonder het stof van een zolder, opgediept uit een vergeten lade. De foto’s die hij gevonden heeft, heeft hij uitvergroot tot ongewone proportie. Zo maakt hij dat wat vergeten is zichtbaar, wat altijd onbelangrijk gevonden is wordt bijzonder en het bijzondere wordt algemeen. De ongewone mens die hij toont, wordt in de museumzaal een van ons. Het door Ossip gemanipuleerde beeld is zo indringend geworden dat wij ons er niet aan kunnen onttrekken. Wij kunnen ons gevoel van ongemak niet afdoen met de geruststelling dat dat beeld nu niet meer bestaat. Het bestaat dus kennelijk wel. Het werk van Ossip krijgt daardoor ook iets dubbelzinnigs. De foto is zowel een afbeelding van een ons onbekende persoon of een situatie uit een voorbij verleden als een concreet invoelbaar beeld dat op zichzelf bestaat, hier en nu. In de foto’s van Ossip is de grens tussen verleden en heden opgeheven. Door het enorm uitvergroten van de oude prenten, hij blaast ze als het ware op, wordt de korrel zo grof dat de foto’s nog ouder lijken dan ze waarschijnlijk zijn. Het beeld wordt er alleen maar indringender door. Op de foto getiteld Schenkel zien we een klein kind in een ziekenhuishemd, ontblote, kromme onderbenen. Door de vergroting zijn de wijd opengesperde ogen nog angstiger geworden. Er is onheil in het verschiet. Om het hoofd van het kind heen heeft Ossip een cirkel van kleur getrokken. Het grijs is daar felzwart, het vuile wit is crème geworden. Zo ontstaat er heel subtiel een aureool, het christelijke beeld van verworven heiligdom, dat maakt dat de onaanzienlijke ineens status krijgt. Om het veel te grote hoofd van een mongoloïde kind heeft Ossip lijnen en stippellijnen getrokken die de constructie aannemen van een diamant. De mismaakte wordt een juweel. Ossip doet meer met zijn oude foto’s. Hij spant daadwerkelijk zwarte draden over sommige foto’s of laat draden uit de foto’s tevoorschijn komen. De foto is een beeld, de draden zijn echt. Op de foto van een jong meisje komen draden uit haar oren, neusgaten, ogen, tepels en navel. Ze verbinden de denkbeeldige, onbekende ruimte van de foto met de echte ruimte waarin wij staan. Dat is de volgende manier om het bewerkte beeld te actualiseren. Door het te vergroten wordt de afgebeelde persoon iemand van ons, wordt die uit de vergetelheid gerukt en in onze actualiteit geplaatst. Door vervolgens de foto ook nog eens te verbinden met de ruimte waarin wij ons bevinden wordt het net om ons heen letterlijk en figuurlijk nauwer aangehaald. De foto is beeld geworden: een kans om te ontsnappen aan het beeld dat Ossip ons biedt, is nu helemaal verkeken. Ook deze realiteit hebben we onder ogen te zien, hoe ongemakkelijk ook. Foto’s van Ossip in De Beyerd, Boschstraat 2, Breda, tot 22 september. Op maandag gesloten.