Archief Frits de Coninck
199319941995199619971998199920002001
Anne van de Pals en Peter Buggenhout
Bloemen in het fin de siecle
Corry van Heijst
Een Spaans drieluik
Franz West
Galerie De Verbeelding
Hannelore Houdijk en Michiel Verheggen
Hilarius Hofstede
Ilya Kabakov
Jan Roeland
Leon Spilliaert
Lokaal 01
Martin Riebeek
Menashe Kadishman en Job Hansen
Michel Huisman
Prenten uit de Renaissance
Sint Joost
Tytgat







Kunst van tegenstellingen in De Beyerd De kunst van de IsraŽliŽr Menashe Kadishman is er een die een verhaal nodig heeft. Zonder dat is het werk niet volledig. En eigenlijk ook niet te begrijpen in de zin zoals de kunstenaar het bedoelt. Wie niet wetend de grote zaal links in De Beyerd instapt, ziet een vloer bezaaid met gietijzeren schijven die een vloed van beelden vormen die van wand tot wand stroomt. 10.000 Stuks als we de kunstenaar mogen geloven. Een vloed waarvoor we terugdeinzen, niet gewend als we zijn om over een kunstwerk heen te lopen. Maar het is wel degelijk de bedoeling om al die ijzeren vormen onder onze schoenzoelen te voelen en het kunstwerk blijkt er uitstekend tegen bestand. Wat we zien, stelt op zich zelf genomen niet zo heel veel voor. Een ijzeren ronde schijf waarin twee ogen, een neus en een mond zijn uitgespaard. Vier schrille gaten in een zware ijzeren vorm. En dat 10.000 keer, met kleine onderlinge verschillen weliswaar. Het aantal is indrukwekkend, de vorm is niet bijzonder. Sterker nog: een leerlingijzergieter zal er de meesterproef niet mee kunnen afleggen. Wat we hier in onwetendheid zien, is iets anders dan wat de kunstenaar ons wil laten zien. Menashe Kadishman is jood en als overlevende van een volk dat in de twintigste eeuw ernstig gewond is, ook een man met een schuldig gemoed. Wie aan de Holocaust is ontsnapt, is zijn onschuld voorgoed verloren. Voor Kadishman leven wij op de puinhopen van een gemeenschappelijk verleden en van een toekomstig lot. Een verbondenheid in leven en dood. Hij heeft daar een vormentaal bij gezocht om in zijn werk uitdrukking te geven aan die eigen werkelijkheid. Eind jaren Ď70 gaat hij schapenkoppen schilderen, tekenen en in ijzer gieten. De schapenkop als symbool van de menselijke onmacht. De kop van de ram die verwijst naar het oudtestamentische offer van Isaak door zijn vader Abraham, geldt voor hem als symbool van de blinde kracht van het animale. Met kennis van die verwijzing krijgt het reusachtige ijzeren beeld dat aan De Vlaszak in Breda staat, om de hoek bij De Beyerd, zijn echte betekenis. Het is het persoonlijke verhaal van de kunstenaar dat het beeld maakt. Het verhaal van Isaak, dat is het verhaal van het door het Lot bijna verloren kind. Het verloren kind, dat is natuurlijk ook het verhaal van de wereld in de twintigste eeuw; het verhaal van Anne Frank, het minstens zo aangrijpende verhaal van G. Durlacher die als kind de oorlog inging en als enige van zijn familie er levend uitkwam. Met dat verhaal voor ogen zijn die holle ogen en die opengesperde mond van die metalen schijf ineens deerniswekkend, wanhopig. Lopend over die vloer van ijzeren koppen klinkt er een dof rommelend geluid dat klinkt als een nooit aflatende schreeuw, om maar niet vergeten te worden. De metalen kop wordt vlees en bloed. Het beeld verbindt zich met de schreeuw van Edward Munch die zich geluidloos in de oneindige ruimte voortplant. De ijzeren koppen van Kadishman zijn sprakeloze stemmen die een aanklacht indienen, niet meer tegen de historische Holocaust. In deze vorm is het een aanklacht geworden die universeel en van alle tijden is. Een vorm van ontbladering om ruimte te maken voor de groeikracht van het nieuwe blad. Ver buiten de grenzen van zijn eigen vorm, vertelt de installatie van Kadishman een verhaal van hoop. Maar zonder dat bijgeleverde verhaal zouden de koppen gedoemd zijn onbegrepen en koud gietijzer te blijven. Het is het verhaal dat de vorm in betekenis overtreft. De geschilderde wereld van Job Hansen, tijdelijk in hetzelfde huis als Kadishman, is van een totaal andere aard. Een groot aantal onderling gemakkelijk inwisselbare schilderijen, betrekkelijk klein van formaat, luchtig en ijl als wind. Zoals de titel van de tentoonstelling meedeelt: 'Door de wind getekend, door het licht gekleurd.' Job Hansen (1899-1960) was architect die verbonden was aan de Groninger kunstenaarsgroep De Ploeg. Van dat losvaste gezelschap was Hansen zeker niet de meest opmerkelijke. Dat was H. Werkman wiens druksels een belangrijke schakel zijn in de ontwikkeling van de moderne kunst in Nederland, en dat was in zekere zin ook de abstracte Wobbe Alkema. Wat de Ploegkunstenaars bond was de expressionistische stijl waarin elk zijn eigen handschrift zocht. Bij Hansen is dat een snelle, schetsmatige manier van schilderen in licht en doorzichtige kleuren. De meeste van zijn schilderijen (meestal olieverf op triplex of hardboard) tonen een angst voor leegte. Ze lijden aan het onvermogen van de maker om op tijd te stoppen en genoegen te nemen met de kracht van de beperking. In de zinderende volheid die het verfoppervlak teweeg brengt gaan alle werken op elkaar lijken. Juist die paar dingen die Hansen het meest leeg gelaten heeft, blijven je bij. De schildering van de Landweg te Beyum uit 1929 en ook het wellicht wat onhandige portret van de dichter Hendrik de Vries uit 1932. De ironie wil dat een enkel gedicht van De vries meer raadsel en betekenis voortbrengt dan tal van Hansenschilderijen te zamen. Het toeval brengt deze tentoonstellingsperiode in De Beyerd wel erg uiteenlopende vormen van kunst samen. Tot 20 april in De Beyerd, Boschstraat 22, Breda. Alleen op maandag gesloten.