Archief Frits de Coninck
199319941995199619971998199920002001
Ab van Hanegem
Desorientierung des Blickes
Figuratieve kunst
Fotografie in de 19e eeuw
Francis Bacon
Gerrit Benner
Jan Andriesse
Jan Fabre
Kunst op de Koekoek
Kunstleer
Kunstuitleen
Lokaal 01
Martin van Vreden







Op het dwaalspoor van de figuratieve kunst [Het museum Henriette Polak in Zutphen bestaat 25 jaar. Ter gelegenheid van dat junbileum toont het een keuze uit de collectie onder de titel 'Vormen van figuratie'. Maar figuratieve kunst, een echo uit een voltooid verleden tijd, is een vlag die de lading niet dekt. Kunst laat zich zo niet dwingen. De jonge, omvangrijke collectie onttrekt zich gelukkig aan wat er als een niet sluitend koord omheen gehangen is.] Er zijn musea die zichzelf de taak stellen om op een beperkt gebied actief te zijn. Om de krachten te bundelen en zo toch kunst te kunnen tonen die elders niet te zien is. En hoe fijnmazig het web van musea ook is, er is altijd wel een gat in de markt te bedenken dat het bestaan rechtvaardigt. Het museum heeft een concrete doelstelling, het onderscheidt zich van alle andere musea, de kunstgeschiedenis lijkt gediend en de politieke subsidiegevers zijn tevreden gesteld. Alles klopt, het museum bestaat. Maar soms zou je wensen dat het museum bevrijd zou zijn van zo’n dwangbuis. Dat er eens een keer geen andere bedoeling zou zijn dan het exposeren en verzamelen van beeldende kunst die de moeite waard is om getoond te worden. Niets meer, maar vooral niets minder. Het museum Henriette Polak in Zutphen is zo’n museum dat zich een kunsthistorische bedoeling heeft aangemeten die als een matrix over de collectie wordt gelegd. Het museum legt zich toe op wat figuratieve kunst heet. Een heel diverse, soms verrassende collectie, gehuisvest in een laat-middeleeuws herenhuis. Dat betekent geen grote, lege zalen waar kunst enkel aan zichzelf is overgeleverd, maar kabinetachtige kamers die een intimiteit scheppen. Elk kabinet is een tentoonstellinkje op zich, met een eigen idee en een eigen verhouding tot het interieur. Het is een tentoonstelling van deels vergeten meesters uit de twintigste eeuw. Veelal kunstenaars die zich in de luwte van de kunsthistorische ontwikkelingen hebben toegelegd op een eigen oeuvre in hun eigen atelier, op afstand van wat in de grote musea, in de spraakmakende galeries en in het kunstdebat gebeurde. De collectie van het museum Henriette Polak is vooral een verre echo van de moderne kunstgeschiedenis in Nederland, met enkele groten die op grond van hun grote individuele kwaliteit altijd boven komen en blijven. Zoals Gerrit Benner, Kees Verweij, Co Westerik, Charlotte van Pallandt, Otto de Kat. Maar velen hebben de schifting door de tijd minder doorstaan en zijn naar de randen van het geheugen gegleden, een geheugen dat Zutphen weer opfrist. Zo kom je dus Hermanus Berserik, Arie Kater en Johan Buning weer tegen. Het probleem van de tentoonstelling (en van de hele collectie) is de opgelegde bedoeling. Zo de term figuratieve kunst iets betekent, wordt hier in Zutphen steeds minder duidelijk wat dat dan precies is. De tentoonstelling is een parcours langs grote en kleine meesters, sommigen uit de nevel van de tijd tevoorschijn gekomen, met werk dat op afstand de ontwikkelingen heeft gevolgd en nooit zelf in de schijnwerpers heeft gestaan. Beelden, werken op papier en schilderijen die over van alles gaan, zich op nogal verschillende manieren verhouden tot de zichtbare werkelijkheid en uit verschillende artistieke houdingen voortgekomen zijn. Maar figuratief? Naarmate de tentoonstelling vordert, verliest dat woord steeds meer zijn inhoud. Misschien moet je wel gewoon concluderen dat figuratieve kunst een vlag is die geen enkele lading dekt. De collectie van het museum Henriette Polak is een afwisselende, curieuze en soms heel interessante ontkenning van dat begrip dat het museum letterlijk in het vaandel voert. De titel figuratieve kunst heeft het museum cadeau gekregen samen met de verzameling van mevrouw Henriette Polak, geboortig uit Zutphen. In 1967 kreeg de portretschilder Joop Sjollema opdracht om een portret te maken van mevrouw Polak, toen wonend in Amsterdam waar haar huis regelmatig podium was voor concerten. En waar, bijna naar voorbeeld van de Muiderkring, lezingen werden gehouden en gediscussieerd werd over filosofie, literatuur, en beeldende kunst. Mevrouw Polak verzamelde ook, bij voorkeur Franse meesters als Gauguin, Pisarro, Monet en Bonnard. Het contact met Sjollema groeide uit tot een omgang met eigentijdse kunst en kunstenaars als Han Wezelaar, Otto de Kat, Piet Esser en Harry op de Laak. De interesse werd liefde en Henriette Polak voegde er een genereuze daad aan toe. In 1968 werd een stichting opgericht die in 10 jaar een collectie eigentijdse kunst zou aankopen die zou staan in de 'klassieke figuratieve traditie, zoals die vanaf de Renaissance tot aan het begin van de twintigste eeuw algemeen en als vanzelfsprekend navolging vond'. Henriette Polak schonk voor dit doel f 250.000. Naast het bestuur kwam er een beoordelingscommissie waar Sjollema en de kunstenaars die hij had geïntroduceerd zitting in namen. Vrijwel al die kunstenaars waren ook docent aan de Rijksacademie in Amsterdam, toen, in de jaren ’60, een burcht van conventie en behoudzucht. Artistiek gesproken was de academie geen factor van belang meer. In de roerige dagen van 1968 barstte ook daar de bom en werd er geschreeuwd om verandering en experiment, werd er hartstochtelijk gepleit voor een nieuw soort kunst naar de geest van de tijd. Die roep paste bij wat al langer zich aan het ontwikkelen was. Na Cobra kwamen de materieschilders, Fluxus, de Nul-beweging, de conceptuele kunst. Allemaal dominante ontwikkelingen die de meer traditionele kunst naar de marge dreef. Voor werk van Sjollema, Wezelaar etc. was geen waardering meer, althans niet bij diegenen die het voor het zeggen hadden. Die kunstenaars voelden zich afgewezen, hoorden er niet meer bij. Hun pijlen vuurden ze af op de vernieuwers en, zoals ze dat zagen, hun beschermers als Willem Sandberg en Edy de Wilde. Het Stedelijk was de bron van alle kwaad. Het pleidooi voor figuratieve kunst was zodoende meer bedoeld als een verdediging tegen de macht van het moderne, een tot mislukken gedoemde poging om de eigen traditionele kunstopvatting in het centrum van de aandacht te houden. Wellicht bedoelde men zelfs om de verder gaande ontwikkeling van kunst tegen te houden. Die valt nooit tegen te houden, ook niet met beeldende kunst. Als iets typisch is voor het pleidooi voor figuratieve kunst dan is het die toon van tenachterstelling die er altijd in doorklinkt. Van minderwaardigheid, zo men wil. In het pleidooi voor figuratieve kunst proef je het Calimero-gevoel. Die poging van Sjollema c.s. tot verdediging van iets wat door de tijd al lang ingehaald was, is een mentaliteit geworden die altijd om de collectie van Henriette Polak is blijven hangen. Ook toen in 1974, de stichtster was net een jaar dood, de collectie onderdak vond in het mooie huis De Wildeman aan de Zaadmarkt in Zutphen. Menige stad in de provincie mag jaloers zijn op zo’n behuizing en op een flink deel van zo’n collectie. Zeker als men weet hoe gering het jaarlijks te besteden aankoopbudget is. Maar de inhoudloosheid van het begrip figuratieve kunst wreekt zich nog altijd. Samenhang is moeilijk te ontdekken, en zeker niet meer vanaf de tijd dat de collectie over is gegaan in handen van de gemeente Zutphen en achtereenvolgende directeuren er een eigen stempel op hebben willen drukken. Met, onontkoombaar natuurlijk, de aankoop van eigentijds werk dat een glimp laat zien van waar de verdergaande ontwikkeling van de moderne kunst in Nederland toe leidt. Werk van Marten Hendriks en Elizabeth de Vaal zijn daar fletse afspiegelingen van. Een breuk met de geest van de kunstenaars van het begin maken ze in ieder geval heel duidelijk. Waarom is het begrip figuratieve kunst zo fout? Het woord figuratie heeft uiteraard betekenis als het gaat om de voorstelling van het individuele schilderij of beeld. Maar als figuratief een genre-aanduiding wordt, gaat het fout. Figuratief is verwarrend, allereerst omdat de naam vaak gebruikt wordt in de plaats van de term realisme die duidelijker is als het erom gaat de verhouding te benoemen die kunst heeft tot de zichtbare werkelijkheid. Erger is dat met figuratieve kunst een stijlopvatting bedoeld wordt waarvan niemand precies kan aanduiden wat die inhoudt. In heel de twintigste eeuw komen we de term figuratieve kunst tegen in oppositie tot de kunst die men abstract noemt. Maar die tegenstelling is verhullend en eigenlijk vals. Het zijn begrippen van verschillende orde. Het is niet alleen zo dat ze niet tegengesteld zijn aan elkaar, ze hebben in wezen niks met elkaar te maken. Dat in de gewone spraak de begrippen zo vaak in relatie tot elkaar gebruikt worden, duidt op een misverstand dat een taai leven blijft leiden. Alle kunst is abstract. Eenvoudigweg omdat ze nooit de werkelijkheid zelf is, maar een weergave met eigen middelen. De kunst legt dingen bloot die achter het zichtbare schuilgaan. Dat is wat we de abstracte kwaliteit van kunst noemen. Die kwaliteit kan net zo goed aanwezig zijn in een doek waarin we de ons bekende werkelijkheid herkennen, als in een monochroom schilderij. Figuratie in de betekenis van een herkenbare vorm is dus bijzaak. Het museum Henriette Polak bezit een aantal mooie werken van Otto de Kat, een van de mensen van het eerste uur. Zijn werk vertrekt altijd vanuit een realiteit. Of het nu een boerse binnenkamer is met een wankelende felgele stoel of een landschap. Zijn wereld, de wereld van het schilderij, kantelt en drijft weg van wat herkenbaar is. De aandacht vloeit langzaam naar de intrinsieke kwaliteiten van het schilderij zelf. Naar de poging tot ordening van het landschap, de dreiging van de lucht, de leegheid van het gevulde land, de stilte, de gelaagdheid van het beeld. Abstracte kwaliteiten die een goed werk kenmerken waarvoor de figuratie hooguit de aanleiding is. Maar kunst kun je niet benoemen naar de aanleiding. Figuratieve kunst is een dwaalspoor waarvan valse profeten als Diederik Kraaijpoel zich bedienen om hun verzet te legitimeren tegen de ontwikkeling van de moderne kunst, tegen alles ook wat naar experiment neigt. Het museum heeft enkele schatten die het onderscheidt van andere musea voor moderne kunst. Er zijn opvallend veel beelden en schilderijen van kunstenaars die gedoceerd hebben aan de Rijksacademie in Amsterdam. De academie van voor ‘68, wel te verstaan. En in het kielzog van de academiedocenten kunstenaars met wie ze zich op de een of andere wijze verwant voelden en die bijgedragen hebben aan de ontwikkeling van het klassieke beeld. Verspreid door het huis met zijn vele kamers, trappen, op- en afstapjes zien we beelden van Nel van Lith, Han Wezelaar, Piet Esser, Theresia van der Pant, een beeld van Mari Andriessen voorstellende prinses Wilhelmina op 10-jarige leeftijd, en niet te vergeten de beelden van Charlotte van Pallandt. Van haar staan hier de portretten van Ro Mogendorff, Fred Carasso en Peter Scharoff. Waar in Nederland zie je zoveel klassieke beelden bij elkaar, gemaakt door Nederlandse kunstenaars die trouw zijn gebleven aan het ambacht van de traditionele beeldhouwer en aan hun liefde voor het oude beeld? Opvallend is het aandeel van de kunstenaarsportretten, en dat voert naar een tweede schat die in de collectie verborgen ligt. Het museum Henriette Polak is ook het museum van de kunstenaarsportretten. Charlotte van Pallandt die zelf in zo veel collega’s een onderwerp vond, zien we hier verbeeld in een aquarel van de bevriende Kees Verweij en in een terracotta beeld van Titus Leeser. Mevrouw Polak met wier portret van de hand van Sjollema de collectie begon, zien we ook terug in een buste van Theresia van der Pant. Co Westerik hangt er met een mooi zelfportret, Constant met een giftig portret van de kunstcriticus Mathilde Visser. En zo zijn er nog veel meer. Dit is wat men een 'artist art collection' mag noemen. De jubileumtentoonstelling is een verzameling eilanden, aparte ruimtes waarin min of meer samenhangende delen van de collectie getoond worden. Dat voert van aangename verrassing naar teleurstelling en terug. Interessant is het wel, los van wat men daar aan kunstpolitieke bedoeling mee heeft. Wie in Zutphen open en bloot wil kijken en zich even niks gelegen wil laat liggen aan de dwang van het figuratieve waar de titel ons oog heen wil leiden, ziet een aantal bijzondere dingen. 'Kunst die in andere musea, om wat voor reden dan ook, vaak niet aan bod komt.' Weinig jonge, eigentijdse kunst, des te meer werk dat we kunnen rekenen tot de semi-klassiekers van de twintigste-eeuwse kunst in Nederland. Een van de mooie werken op de tentoonstelling is een gouache van Gerrit Benner, 'Zomer' uit 1970. Het werk uit de jaren ’60 en ’70 van de vorige eeuw is het beste wat hij gemaakt heeft. Het levert monumentale landschappen op waarin de sensaties van de zichtbare werkelijkheid samengebald zijn in brede verflagen die een eigen structuur geven aan wat wij als landschap benoemen. Benoemen zeg ik, want de figuratie is dan al uit het beeld van Benner verdwenen, althans verborgen achter het abstracte schilderij waarin hij het landschap omtoverde dat hij zag, voelde, rook en hoorde. Het felle rood, het warme geel, het verre wit, het aardse groen drijven in een vlak van blauw. Wat is hier nog aarde, wat lucht en wat moeten we als horizon zien? Deze gouache gaat aan de benoeming in termen van het zichtbare voorbij en wordt een autonome wereld van menselijke sensaties met een intensiteit die alleen een goed schilderij kan oproepen. Wat iets voorstelt, is dan niet meer belangrijk. Een ander mooi stuk uit de Nederlandse kunst van de twintigste eeuw is het bronzen beeld van Charlotte van Pallandt, voorstellende Fred Carasso, een collega-beeldhouwer. Natuurlijk, men kan dat als een portret zien. Het is naar de werkelijkheid gemaakt en het schijnt te lijken. Maar of het daarmee ingedeeld kan worden bij de figuratieve kunst? Veel belangrijker aan dit beeld is de mate waarin het letterlijk een vorm van beeldhouwkunst is. De kop heeft een herkenbare schedelvorm en is tegelijk opengewerkt zodat er ruimte in het beeld ontstaat. Licht en schaduw krijgen een aandeel in het beeld en definiëren volume en vorm. Daardoor laat het beeld zich onder wisselende lichtomstandigheden anders bekijken en stelt het eisen aan de positie van de beschouwer. Het heeft een vlezigheid die het beeld gewicht geeft en aandacht vraagt voor het materiaal. Dat zijn abstracte kwaliteiten die beslissen over de vraag naar de kwaliteit. Dat iets ook lijkt op iets uit de werkelijkheid is eigenlijk bijzaak. In de eerste plaats is het dus een geweldig beeld en pas daarna is het een portret van Carasso. Het beeld gaat aan de herkenbaarheid vooraf. Zoals Lambert Tegenbosch, de bezorger van het werk van Charlotte van Pallandt, schrijft: 'Zij ontmoet in het model de figuur van de verbeelding. Het model was al gezien vóór het haar voor ogen kwam. Wat zij portretteert, is haar eigen beeld in het beeld van het model.' Dat is visie, geen figuratie.