Archief Frits de Coninck
199319941995199619971998199920002001
Ben Sleeuwenhoek
Dom Arte
Getekend door de wind







Een klassieke voorjaarssalon in Dom ‘Arte Bij galerie Dom ‘Arte in Rucphen begint de echte lente met een overdaad aan kunst. Zondag a.s. wordt de salonpresentatie geopend die galerist Gerry Broos de gelegenheid geeft te laten zien waar de galerie voor staat en welke kunstenaars zich met de galerie verbonden weten. Er is vooral heel veel werk te zien. In de grote expositieruimte, een mooi gerestaureerde schuur met rieten dak, is geen meter ongebruikt gelaten. Op de vloer staan beelden van Erik Oldenhof, Pierre Lumeij, Arja Sproncken en vooral van Jo Gijsen die temidden van deze veelheid een soort van solo-presentatie heeft. De wanden zijn van voor tot achter bedekt met schilderijen. Naar mentaliteit hebben al deze individuele kunstenaars weinig met elkaar te maken. Wat hen bindt is hooguit een manier van werken die je nu, na de twintigste eeuw, klassiek zou kunnen noemen. De beeldhouwers werken nog echt in brons, ijzer en steen en de schilders schilderen met olieverf op een geaccepteerde expressionistische manier. Verwacht dus geen opzienbarende eigentijdse statements in nieuwe technieken. Het meeste van wat in Dom ‘Arte te zien is, is veilige kunst. Kunst die door de meerderheid van de liefhebbers voor moderne kunst gehouden wordt, maar wel ver weg van het experiment. Een beeldhouwer als Jo Gijsen gaat altijd zijn eigen weg, los van wat nieuwe modes voorschrijven. In die zin staat zijn werk los van de vluchtigheid van de tijd. Hij maakt beelden bij voorkeur in graniet die als totems vrij in de ruimte staan. Een van de hem kenmerkende kwaliteiten is de verhouding tussen enerzijds de gladde, gepolijste kant van zijn beelden en anderzijds de ruwe, onbewerkte staat van het materiaal. Die afwisseling zorgt voor beweging en ruimte in het beeld. Elke andere kijkpositie levert een ander aspect van het beeld op. In zijn handen is een beeld allereerst natuurlijk materiaal opgediept uit het verre geologische verleden. Daarna komt pas de beeldhouwer die dat materiaal bewerkt en tot beeld vormt. Merkwaardig kwetsbaar en sensibel wordt dat stevige materiaal door het dunne touw dat om sommige beelden heen gewonden zit. Alsof dat harde graniet omgord moet worden, voor uiteenvallen behoed. Opvallend zijn de kleine beelden van Eric Claus, beelden van brons om in een vitrine te plaatsen. Het onderwerp zou je literair kunnen noemen. Zijn beelden refereren aan het werk van twintigste-eeuwse filosofen naar wie ze ook zijn genoemd. Jean-Paul Sartre, Hannah Arendt, Friedrich Nietzsche, Henri Bergson zijn enkele van de denkers die Claus als inspiratiebron gebruikt. Met die verwijzing die in wezen losstaat van de werkelijkheid van het beeld op zich zelf, annexeert hij hun gedachtegoed en verleent zijn beelden een extra-betekenis die je literair zou kunnen noemen. In zekere zin lijnrecht daartegenover staan de beelden van de Limburger Pierre Lumeij. Hij maakt kleine beelden die een sokkel nodig hebben, beelden die in zichzelf besloten zijn en die dus niet verwijzen naar iets uit de buitenwereld. Het zijn constructies van abstracte vormen die zichzelf overeind houden. De beweging in het beeld komt voort uit een afwisseling van groot en klein, dik en dun, hoog en laag. Met het materiaal is iets merkwaardigs aan de hand. Al het werk dat hier van hem te zien is, is gegoten in brons, dat er hier en daar als steen uit wil zien. Sommige elementen van zijn beelden heeft hij geschilderd, in wit onder andere, waardoor het brons ineens het aanzien krijgt van kalksteen. Aan de wand vallen de werken op papier, beter gezegd misschien de collages, van Jan Radersma op. Hij werkt in gemengde techniek: hij schildert, plakt, tekent, aquarelleert, monteert. Op enkele doeken heeft hij dik papier gebruikt dat door brand aangetast lijkt, te zien althans aan de krullende, zwarte randen. Die manier van doen roept de gedachte op aan een verhaal, en in die zin is er een zekere gelijkenis met de beelden van Eric Claus. Radersma’s werk heeft een duidelijke gevoeligheid, een sfeer die het resultaat is van een intensief gebruik van verschillende materialen die met elkaar een relatie aangaan en toch als zodanig herkenbaar blijven. Het landschap van Bredanaar Frans van Veen dat aan dezelfde wand te zien is, blijft in vergelijking daarmee steken in oppervlakte. Van Veen hanteert een techniek van brede, pasteuze kwaststreken waarmee hij een landschap opbouwt. Maar omdat die techniek zo’n vast gegeven is dat je op zowat al zijn werk ziet, wordt het een sjabloon. In een tweede, kleinere tentoonstellingsruimte staan verrassenderwijs veel beelden van Nel van Lith. Een klassieke waarde in de Nederlandse beeldhouwkunst van de twintigste eeuw, samen met onder meer Charlotte van Pallandt, Theresia van der Pant, Maja van Hall. Vrouwen die bij voorkeur figuratieve beelden maakten die lang het gezicht van onze beeldhouwkunst mede hebben bepaald. Veel van dat werk is door de tijd ingehaald. Toch is het is een verrassing om het werk van Nel van Lith hier weer te zien. Haar beste beelden getuigen van een grote beheersing van het metier. Het meest bijzondere van Dom ‘Arte is misschien wel de buitenruimte, de tuin rondom de twee expositieruimtes en het woonhuis waar tientallen beelden staan. In de vrije ruimte staan beelden altijd mooi. Een omgeving die elk beeld zich wenst. Daar kan het zich in relatieve vrijheid meten met de eindeloze lucht en het groene landschap. Zeker op zo’n dag in het volle voorjaar. Een ding is duidelijk: Dom ’Arte is een bijzondere plek in het Rucphense buitengebied. De salonexpositie duurt tot 30 juli en is open do en vr van 11 tot 5 uur en op za en zo van 2 tot 5 uur. Galerie Dom ‘Arte, Langendijksestraat 3, Rucphen.